Antoinette Vietsch| AVI research en consultancy
AVI

rearch en consultancy
AVI research en consultancy richt zich op: overheid, bouw en gezondheidszorg.

Vraagstukken waarmee AVI research en consultancy zich bezig houdt, zijn:
- wat is de huidige situatie
- wat zijn de ontwikke-lingen
- wat wordt de toekomst.
En natuurlijk ook: hoe speel ik op die ontwikkelingen in, hoe wijzig ik de toekomst.

                 Lees meer>>

Voorbereiden op de toekomst


Opella Magazine
2004

De onrust die de ‘modernisering’ van de AWBZ veroorzaakt, is niet gering. Dit is het einde van de zorgstaat, is de heersende gedachte. Begrijpelijk maar niet waar, vindt Tweede-Kamerlid voor het CDA Antoinette Vietsch. Niemand valt buiten de boot, meent zij, maar de eigen verantwoordelijkheid speelt wel een rol.

De woordvoerster voor de AWBZ draagt de zorg een warm hart toe. “Ik wil me er sterk voor maken, omdat het niet alleen gaat om mensen wassen en eten geven. Als je het zo ziet, onderschat je het vak. Je werkt immers met mensen. Vol bewondering kijk ik naar verzorgers en verplegers die een fijne sfeer brengen en zo meegaand een vriendelijk zijn; daar moet je talent voor hebben.” Voor haar naam prijkt een ingenieurstitel die duidt op haar studie bouwkunde in Delft. Het maakbare en berekenbare werk van een ingenieur ligt echter niet lijnrecht tegenover het mensenwerk in de zorg. “In 1980 heb ik voor een onderzoek van het NZI een verpleeghuis ontworpen.. Mijn eerste ontmoeting met de zorg. Ik ben nagegaan hoe alles aangepakt werd, wat er nagestreefd werd, hoe dit beleefd werd. Uit die tijd stamt ook de eerste keer dat ik een snoezelruimte heb gezien; een bijzondere gewaarwording in een tijd dat voorzieningen meer op somatiek gericht waren. Ik heb een technische aanleg en ben gericht op problemen en oplossingen, maar ik vind het ook heel leuk om wat met en voor mensen te doen. Juist in de bouwkunde moet je je verdiepen in wat mensen willen, in welke omgeving zij zich prettig voelen, terwijl je tegelijk ook moet zorgen dat het dak niet lekt. Dat is ook wat ik nu tracht te doen: natuurlijk moet de wetgeving goed zijn, maar wat mij betreft moet er iets meer zijn. Dat is mijn verbinding tussen bouwkunde en de politiek.”

Kunt u zich voorstellen dat het lijkt dat zorg juist mínder wordt toebedeeld dan meer? De maatregelen lijken eerder ingegeven door pragmatiek dan door naastenliefde.
“Dat kan ik me voorstellen, maar dat is niet de bedoeling. Op het gebied van de zorg is de WMO de laatste ontwikkeling en op dit punt is er veel onrust onder de mensen. Er zijn twee stromingen. De ene vindt dat je rekening moet houden met de lokale situatie. Als je op platteland van Drente woont, zijn de omstandigheden anders dan in de binnenstad van Amsterdam. Denk aan familieverbanden, het openbaar vervoer, de hoogte van de huur en je huis ziet er waarschijnlijk ook anders uit: drie hoog achter met een trap, of een huis zonder trappen op het platteland. Je kan alleen rekening houden met verschillen in lokale situaties als je de gemeente een grotere rol laat spelen. De andere stroming bestaat uit mensen die zeggen: ‘Als je 65 wordt, krijgt iedereen hetzelfde pensioen. De AWBZ is net zo’n verzekeringsregeling, dus je mag geen onderscheid maken’. In beide standpunten zit wel iets. Maar als je in Drente van je pgb huishoudelijke hulp inkoopt, zal dat goedkoper zijn dan in Amsterdam.”

Wat is wel de bedoeling?
“Het is de bedoeling dat mensen die zorg nodig hebben die blijven krijgen. We moeten echter constateren dat dit niet haalbaar is als we op de oude voet doorgaan. En dan praat ik vanuit personeelsoogpunt; ik heb het niet over financiering. Nu werkt één op de acht mensen in de zorg; over tien tot vijftien jaar zou dat één op de drie moeten zijn, gezien het aantal ouderen in de toekomst. Dus je moet iets doen om de zorg doelmatiger te maken. In de keuzes die we maken, moeten we nu al geleidelijk bijbuigen om op de toekomst voorbereid te zijn. De pragmatiek zit in het langetermijndenken. Juist als je mensen in hun omgeving tot hun recht wilt laten komen, moet je nu nadenken over hoe je die omgeving wilt vormgeven. Je ziet dan ook dat mensen anticiperen. Vroeger planden mensen zorg niet. ‘Ik kan de trap niet meer op komen, nu moet er wat gebeuren’, zeiden ze. Dat mensen nadenken over toekomst is goed, maar het is ook een teken dat mensen iets anders willen dan pyjamadagen, toiletrondes, en ouderen vastbinden, dat zijn misstanden. Ik moet er niet aan denken dat ik in zo’n situatie terecht kom en dan geef ik ze volkomen gelijk.”

Zorgt de WMO niet voor minder autonomie van zieken en ouderen? Eerst bij alle familieleden en buren aankloppen in plaats van gewoon récht te hebben op zorg?
“Er is geen indicatie dat de mantelzorg anders zal verlopen. Deze geluiden zijn eigenlijk bangmakerij. Vóór 1 januari moest je eerst in je omgeving kijken of er vrienden of buren waren die je wilde helpen en als je die niet had, mocht je aanspraak maken op zorgrecht. Na 1 januari hoef je alleen maar binnen je eigen gezin te kijken voor de gebruikelijke zorg, waarmee ik de zorg bedoel die je van gezinsleden mag verwachten: wassen, strijken, stofzuigen, koken enzovoort. De zorg is dus feitelijk verrúimd, maar dát heeft niet in de kranten gestaan. Iedereen heeft de indruk dat het andersom is.”

Hoe weet u of de bezuinigende gemeenten hun zorggeld niet aan straatlantaarns en stadhuizen besteden?
“Laten we wel zijn, over de WMO is een brief met hoofdlijnen geschreven. Die wordt nog in de kamer bediscussieerd. Afhankelijk van de uitkomst van deze discussie wordt een wetsvoorstel gemaakt. Er staat nog niets vast. En: vergeet niet dat er al drie miljard aan welzijnstaken in de gemeentelijke begrotingen is opgenomen. De WMO is dus zo vreemd niet. Op de uitvoering van de WMO willen we toezicht houden. Bovendien bieden we een kader waaraan gemeenten moeten voldoen. Gemeenten worden belangrijker, maar daar staat tegenover dat mensen meer moeten weten waar ze recht op hebben. Gemeenten zullen aan hoge eisen moeten voldoen en meer verantwoordelijkheden nemen. Je ziet bijvoorbeeld dat er minder behoefte is aan verzorgingshuizen op plaatsen waar aanleun- en seniorenwoningen worden gebouwd. Een logische ontwikkeling, maar gemeenten moeten hier wel op inspelen en dit soort zorg integreren in het gemeentebeleid. Daar zit de doelmatigheidswinst. Vergelijk het met de bouwvergunningen, waarover een zelfde kader bestaat hoe gemeenten dit regelen. Je hoort ook niemand zeggen: ‘De bouwvergunningen in Nederland verlopen overal anders; het is oneerlijk dat ik in Utrecht aan andere bouweisen moet voldoen dan iemand in Drente’.”

Waaruit bestaat de vrijheid die gemeenten hebben om de WMO zelf in te vullen?
“In de discussie over de WMO lopen we tegen de vraag aan hoe we zorg en welzijn definiëren. Bestaan die kaders en definities eenmaal, dan kunnen gemeenten daarbinnen functioneren. Op basis daarvan is bijvoorbeeld vast te stellen waar de grens ligt van verzorging. Bestaat die ook uit huishoudelijke hulp? Het is goed iedereen op te roepen hierover na te denken en uit te nodigen erover mee te praten. Overigens niet alleen op gemeentelijk niveau, maar ook binnen families. Wat is de dagelijkse praktijk? Hoe wil je toekomst inrichten? Blijf ik hier wonen of niet, wat wil ik?
Een instelling voor gehandicapten richtte een soort huwelijksbureau op maar dan om vrienden te maken. Om eenzaamheid van de bewoners te bestrijden die niet langer intramuraal woonden maar in de wijk gehuisvest werden. De vraag was of ik dat uit de AWBZ wilde betalen. Dat vind ik te ver gaan.”

Als een gemeente minder waarde hecht aan de factor welzijn, zullen vrijwilligers dit soort activiteiten op zich moeten nemen. Waar halen we die vandaan, gezien het individualisme, de tweeverdieners en de vergrijzing?
“Er wordt minder gedaan op het welzijnsniveau, mede omdat sommige subsidies in het verleden zijn afgebouwd. Dat vind ik jammer, maar er gebeurt nog veel vrijwilligerswerk en dat zal ook zo blijven. Vrijwilligers zijn nodig; de maatschappij zal niet toestaan dat samenleving instort. Wel zou het goed zijn als ze zich minder bezig houden met administratieve zaken en vaker gewoon dingen dóen. Verder zijn er ouderenorganisaties die veel leuke dingen organiseren, zoals reizen en bijeenkomsten. Mensen die hiervan gebruik maken, blijven geestelijk actief en komen in een later stadium in de zorg terecht. Wat ik vreselijk vind, is dat de zorg professionaliseert en dat zieken en ouderen gestigmatiseerd worden als afhankelijk. Het gaat er niet meer om dat je belangstelling voor iemand hebt of het leuk vind om langs te komen. Nee, je moet er geld voor krijgen om bij iemand langs te gaan. Een maatschappelijke ontwikkeling die ik niet goed vind. De kunst is om de mensen bij het vrijwilligerswerk te betrekken die eenzaam, maar verder lichamelijk in orde zijn. Je moet er geen professionele zorg op afsturen, maar hen oproepen te helpen. We moeten ons realiseren dat anderen ons nodig hebben. Betrokkenheid tonen, vind ik dan belangrijker dan een laagje stof op de vloer.”

@kader
De stand van zaken
De AWBZ wordt in de toekomst onbetaalbaar. Om deze zorgverzekering te handhaven, zijn er twee oplossingen: of we doneren een kwart van ons inkomen aan de AWBZ, of we schrappen in het aantal voorzieningen. De overheid besloot tot het laatste. De geschrapte voorzieningen zijn echter niet verdwenen. Ze worden de verantwoordelijkheid van de lokale overheid, zo staat in de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO). Onder andere huishoudelijke verzorging, delen van activerende en ondersteunende begeleiding en vervoer vallen in 2006 onder de gemeentelijke zorgtaak. Dat betekent dat gemeenten binnen een gegeven kader bepalen wie in aanmerking komt voor zorg. Voor deze zorg krijgen gemeenten een eigen budget. De AWBZ blijft in stand om mensen met complexe en continue zorg te blijven verzorgen.