Antoinette Vietsch| AVI research en consultancy
AVI

rearch en consultancy
AVI research en consultancy richt zich op: overheid, bouw en gezondheidszorg.

Vraagstukken waarmee AVI research en consultancy zich bezig houdt, zijn:
- wat is de huidige situatie
- wat zijn de ontwikke-lingen
- wat wordt de toekomst.
En natuurlijk ook: hoe speel ik op die ontwikkelingen in, hoe wijzig ik de toekomst.

                 Lees meer>>

Wet voorzieningenplanning scholen (31.310)


Schriftelijke inbreng
30 januari 2008

De CDA-fractie heeft met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel. Zij ondersteunt de doelstelling de wettelijke regels over de planning van onderwijsvoor-zieningen te moderniseren, te vereenvoudigen, te harmoniseren en in aantal te beperken.

Ten aanzien van het wetsvoorstel heeft de CDA-fractie de volgende vragen.

De leden van het CDA vinden het wenselijk het belang van menselijke maat in het onderwijs te benadrukken en zullen het wetsvoorstel dan ook mede vanuit dit uitgangspunt beoordelen.

Het is volgens het voorliggende wetsvoorstel niet de bedoeling om de stichtings- en opheffingsnormen te verhogen of te verlagen, behalve bij lycea.
Het CDA is voor kleinere scholen en voor verlaging van de normen. Kan de regering aangeven waarom de normen met uitzondering van lycea niet aangepast worden en wat de overwegingen zijn om de gehanteerde aantallen te behouden en wat de ratio is achter de aantallen? Zijn de genoemde aantallen reëel gezien het feit dat 35% van de scholen onder de stichtingsnorm zit? Kan de regering ook aangeven hoe deze aantallen bepaald worden? Indien dit bepaald wordt in een ministeriele regering op basis van artikel 76, kan deze dan naar de Kamer gezonden worden? Is de regering bereid om de in artikel 76 genoemde  ministeriële regelingen om te zetten in Algemene Maatregelen van Bestuur met voorhang?

In de nieuwe situatie wordt het nog moeilijker voor scholen om niet mee te doen aan regionale samenwerkingsverbanden. In het wetsvoorstel wordt in artikel 68 gesteld dat scholen die niet aan zo’n samenwerkingsverband deelnemen alleen via stichting een nieuwe afdeling kunnen verkrijgen (en dus moeten voldoen aan strengere normen). Dit alles verhoogt de pressie op (vergaande) vormen van samenwerking tussen scholen. De regering verwacht dat het merendeel van de vwo/havo-scholen zal gaan samenwerken in de regio (pag. 3 MvT). Waar is deze verwachting op gebaseerd en hoe zal de regering handelen wanneer onverhoopt blijkt dat dit niet het geval zal zijn?
De leden van de  CDA-fractie vragen de regering de mogelijkheden aan te geven naar het invoegen van bijvoorbeeld een hardheidsclausule in het wetsvoorstel indien kleinschaligheid, leefbaarheid en kwaliteit in gevaar komen doordat regels onredelijk of onrechtvaardig uitpakken.
 
Vanwege het benodigde aantal leerlingen,  kan in de praktijk stichting van bijzonder onderwijs wel lastiger worden. Er is immers al een goed dekkend netwerk van bijzondere scholen over Nederland. In het wetsvoorstel heeft de minister slechts voor openbaar onderwijs de bevoegdheid van de norm af te wijken en niet meer in het geval van bijzonder onderwijs. Bij openbaar onderwijs mag de minister afwijken van de stichtingsnormen vanwege de verantwoordelijkheid voor voldoende en goed bereikbaar openbaar onderwijs. Is de regering bereid om ook voor het bijzonder onderwijs een vergelijkbare uitzondering te maken? En zou een dergelijke uitzondering ook niet moeten gelden voor de opheffing van scholen?

In de technische briefing werd gesteld dat de aanvragen worden beoordeeld op huidige leerlingencijfers en niet op toekomstige. Kan de regering dit nader toelichten? In hoeverre is in het wetsvoorstel rekening gehouden met extreme daling dan wel groei van het leerlingenaantal? Met name in de regio’s Limburg, Friesland, Zuid-Holland en Zeeland is in de komende periode sprake van een extreme daling van het leerlingenaantal. In de regio Flevoland is daarentegen de komende tijd sprake van een extreme groei van het leerlingenaantal. Gaarne nadere toelichting.

In artikel 16 wordt gesteld dat een tijdelijke nevenvestiging hemelsbreed niet verder mag zijn dan 3 km. Kan de regering aangeven waarom dit 3 km is en niet bijvoorbeeld 5 km? Kan zij ook aangeven waarom gekozen is voor hemelsbreed en niet via wegen? Indien er een spoor of rivier tussen de vestiging en de tijdelijke vestiging aanwezig is, kan de af te leggen afstand veel meer zijn dan die die hemelsbreed gemeten wordt. De leden van de CDA-fractie denken hierbij bijvoorbeeld aan de provincie Zeeland. Eerder werd in het bekostigingsbesluit afstand over de weg als criterium gebruikt en niet hemelsbreed. Waarom is van dit criterium afgeweken? Is aan het nieuwe criterium van hemelsbreed een maximum gesteld? Gaarne toelichting.

Kan de regering ook aangeven of voor elke tijdelijke nevenvestiging toestemming nodig is van de minister? Zo ja, waarom is dit en betekent dit niet meer regelgeving in verhouding tot de huidige situatie met een tijdelijke dislocatie?

In artikel 65 wordt aangegeven dat een school voor bekostiging in aanmerking komt indien bij deze school redelijkerwijs aangenomen kan worden dat gelet op de belangstelling voor de desbetreffende schoolsoort, de verlangde richting en het leerlingenverloop, blijkens statistische gegevens onder meer verstrekt door het Centraal Bureau voor de Statistiek een bepaald aantal leerlingen zal krijgen.
Kan de regering illustreren aan nieuwe scholen van de laatste 10 jaar of bij die scholen waarbij een aantal leerlingen redelijkerwijs was aangetoond, deze leerlingen ook na opening van de school daadwerkelijk aanwezig waren? Kan zij bij scholen waarbij dat niet het geval was aangeven waardoor dat veroorzaakt is? Kan zij ook aangeven waarom de cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek gebruikt moeten worden en of deze cijfers voldoende nauwkeurig zijn

Volgens artikel 67 kunnen gedeputeerde staten een aanvraag voor een school indienen indien een naar hun oordeel voldoende groot aantal wettelijk vertegenwoordigers van leerlingen hebben aangegeven dat zij die school wensen. De CDA-fractie vraagt zich af of dit criterium voldoende duidelijk is: in verband met de stichtingsduur zullen de betreffende leerlingen geen gebruik maken van de school en is het dus geheel vrijblijvend voor de wettelijke vertegenwoordigers om een aanvraag te ondersteunen. Tevens vraagt de CDA-fractie zich af waarom hier een ander criterium wordt gehanteerd dan in artikel 65. Kan de regering dit uitleggen?

In de artikelen 70 en 71 zijn enkele onderwerpen genoemd waarover bevoegd gezag zelfstandig kan beslissen. Daarbij wordt fusie niet genoemd. Betekent dit dat bevoegd gezag niet zelfstandig kan beslissen over fusie?

De gemeente moet de huisvestingsgevolgen van een nieuwe school of van het Regionale plan onderwijsvoorzieningen bekostigen zonder dat zij daarbij instemmingsrecht heeft  (pag. 4 en 5 MvT). Op welke wijze krijgt de gemeente deze huisvestingsgevolgen in de toekomst gefinancierd? Indien deze lasten leiden tot verhoging van de uitgaven ten laste van de begroting van OCW, moet dit dan toch niet jaarlijks geraamd worden en betekent dat dan niet dat er in feite een soort jaarlijks scholenplan is? Indien de betreffende gemeente het moet financieren, is het dan niet reëel om de gemeente ook invloed te geven op de plannen van de scholen?
Moet huisvesting gelijk voor het totaal aantal geprognosticeerde leerlingen geregeld worden of kan dit in een groeimodel? Wat gebeurt er indien een gemeente weigert de huisvestingsgevolgen te realiseren of de huisvestingsgevolgen traineert via bouw- en ruimtelijke ordening procedures?

Tot welke andere instantie kunnen partijen zich wenden indien zich een impasse voordoet in het overleg tussen scholen (pag. 6)? Op welke wijze wordt voorkomen dat een school door andere scholen uitgesloten wordt in het overleg? En hoe wordt gerekend met de in- en uitstroom van leerlingen bij gemeenten bij de bepaling van de regionale plannen? Vindt hierover tussen de plannen afstemming plaats?

Leerlingen mogen in het eerste leerjaar geen onderwijs krijgen in een  tijdelijke nevenvestiging (pag. 7). Kan de regering uitleggen waarom dit is?

De leden van het CDA onderschrijven de opvatting van de RvS (pag. 4) dat het voorgestelde regionale plan te weinig waarborgen heeft voor kostenbeheersing omdat de betrokken organen geen direct belang hebben bij doelmatig gebruik van rijksmiddelen, maar wel bij behoud of uitbreiding van hun onderwijsaanbod. De reactie van de regering hierop gaat volgens de leden van het CDA te makkelijk voorbij aan de door Raad geopperde motivering. De CDA-leden vernemen graag een nadere toelichting van de regering.

De regering gaat helaas niet in op de redenering van de RvS (pag 5) dat grote schoolbesturen in het geval van totstandkoming van het regionale plan een dominante rol kunnen spelen. Bestaat niet het gevaar dat een RPO leidt tot een gesloten markt en consolidatie? De leden van de CDA-fractie zouden dat betreuren omdat zij hechten aan een pluriform en kleinschalig onderwijsaanbod. Gaarne een nadere toelichting van de regering.