rearch en consultancy
De wet op de architectentitel betreft slechts de titelbescherming zoals door de Europese richtlijn verplicht is. De wet betreft geen beroepsbescherming. De CDA-fractie is uitdrukkelijk tegen beroepsbescherming.
Overigens zijn we heel benieuwd wat onder het beroep architect verstaan moet worden en dus welke werkzaamheden een architect doet en wat de rol van de architect is in het bouwproces. We betreuren het dat we de toegezegde notitie van de minister van WWI hierover nog niet hebben.
De wetswijziging omvat:
1. verhoging van de eisen voor inschrijving
2. invoering gedragsregels
3. wijziging van de status van het architectenregister en personeel.
Op deze 3 punten zal ik ingaan.
1.verhoging eisen
Dat de eis van bij- en nascholing voor alle ingeschrevenen (architecten, stedenbouwkundigen, tuin- en landschapsarchitecten en interieurarchitecten) in de toekomst gelijk is, is in onze ogen een goede zaak.
Discutabel vinden we de eis van beroepservaring van 2 jaar. Mede omdat de Richtlijn geen beroepservaring voorschrijft en het dus een “kop” is op de Europese regelgeving.
Daarbij komt de vraag of er voldoende plaatsen zijn, c.q. voldoende mentoren.
En of de architecten die beroepservaring opdoen gewoon regulier salaris uitbetaald krijgen of dat er gebruik gemaakt wordt van deze architecten en er korting plaatsvindt van hun salaris in verband met de “opleiding”.
Voor het CDA moeten deze 2 punten opgelost worden. Deze eisen mogen geen marktbescherming van de huidige architecten zijn.
De minister geeft aan in de nota naar aanleiding van het verslag dat de beroepsorganisaties in een intentieverklaring vastgelegd hebben dat zij stimuleren dat er voldoende mentoren beschikbaar zijn en dat zij zullen bevorderen dat afgestudeerden in het kader van beroepservaring aangesteld zullen worden als volwaardige werknemers.
Dit vindt het CDA een wankele toezegging. Daarom hebben wij een amendement ingediend om over 5 jaar te evalueren of de ingeschreven architecten inderdaad meewerken. Indien dat niet het geval blijkt te zijn, dan moet in onze ogen de beroepservaring vervallen.
2. Invoering gedragsregels
De Raad van State heeft aangegeven dat gedragsregels niet thuishoren in deze wet. Die mening delen we en we zijn daarom niet gelukkig met artikel 27aa.
In dit artikel staat aangegeven dat een architect in een offerte moet aangeven wat zijn deskundigheid en vakbekwaamheid is en welke bij- en nascholingsactiviteiten de architect verricht heeft.
Onder andere door de wijze van aanbesteden van een opdrachtgever en omdat deze eis onvoldoende rekening houdt met de architecten in dienstverband, moet volgens mij het woord “desgevraagds” toegevoegd worden. Dit is conform huidig artikel 27a en conform het amendent Vietsch cs van 25 feb. 2008.
Omdat een deel van de ervaring, deskundigheid en nascholing geheel niet relevant kan zijn voor een opdracht en daardoor de aanbesteding ten onrechte kunnen beïnvloeden, wil ik eveneens het woord “relevante” toevoegen.
In artikel 27aa is ook beroepsaansprakelijkheid opgenomen. Dit roept de vraag op, waarvoor is hij aansprakelijk en voor welk bedrag. Beiden hangen af van de contracten, waarbij dan gebruikelijk de verzekering vermeld wordt. Of er een beroepsaansprakelijkheidsverzekering is, is dus overbodig in de wet en hoort ook niet thuis in een wet over titelbescherming. Vandaar dat we een amendement hebben ingediend.
De melding aan derden in artikel 27aa betreft een gedragsregel die volgens de Raad van State niet in deze wet thuis hoort. Het is beroepsbescherming en geen titelbescherming.
Bovendien kan deze melding in strijd zijn met de wens van de opdrachtgever. De opdrachtgever kan in het kader van auteursrechten de plicht hebben om aan de architect van een gebouw aan te geven dat dat het gebouw verbouwd gaat worden. Het is overigens ook niet altijd mogelijk omdat de derde vaak onbekend is. Ook hierop hebben we een amendement ingediend.
3.wijziging van de status van het architectenregister en personeel.
De Stichting bureau architectenregister is een zelfstandige stichting. De Raad van State geeft aan dat volstaan kan worden met de huidige organisatorische structuur.
De minister geeft aan in de NnaV dat deze omzetting naar een publieke grondslag voort komt uit het kabinetsstandpunt over het rapport «een herkenbare staat: investeren in de overheid». In verband hiermee kan het CDA instemmen met de wijziging.
Naar aanleiding van de vragen over het bestuur heeft de minister aangegeven dat zij een bestuurslid wil benoemen op voordracht van de beroepsorganisaties en een die wel ingeschreven is maar die geen lid is van een beroepsorganisatie. Het CDA vraagt de minister waarom gekozen wordt voor afvaardiging van de beroepsgroeporganisatie in het bestuur in plaats van de ingeschreven een bestuurslid te laten kiezen? Ook de verdeling in een (interieur)architect en een stedenbouwkundige of tuin- en landschapsarchitect lijkt me meer logisch. Kan de minister dit toelichten?