rearch en consultancy
Vraag 1
Heeft u kennisgenomen van het artikel over de verpakkingsbelasting?
Ja
Vraag 2
Is het volgens uw berekeningen waar dat deze verpakkingsbelasting gemiddeld tot een prijsstijging van 1% moeten leiden in de supermarktketen? Kunt u zowel bij een positief als een negatief antwoord een onderbouwing geven van de berekening van de hoogte van de prijsstijging? Welke stijging blijkt uit de gegevens van het CBS?
De berekening dat de verpakkingenbelasting moet leiden tot een prijsstijging van 1% in de supermarkten is onjuist. Deze 1% prijsstijging is waarschijnlijk gebaseerd op een schatting van het Centraal Bureau Levensmiddelen (CBL). Het CBL is waarschijnlijk tot deze schatting gekomen door de opbrengst van de verpakkingenbelasting (in 2008: € 240 mln) te relateren aan de omzet van de supermarktbranche (over 2007 ongeveer € 26 mrd). De supermarktbranche is echter zeker niet de enige sector waar de verpakkingenbelasting zal worden betaald. De verpakkingenbelasting zal in alle producerende sectoren een rol spelen. Om die reden is de invloed van de verpakkingenbelasting op de koopkracht ook veel lager. Bij de berekening van de koopkrachteffecten van het Belastingplan 2008 is aan de verpakkingenbelasting een negatief koopkrachteffect van 0,05% toegerekend. Verder is voor het prijseffect van belang in welke mate de verpakkingenbelasting wordt doorberekend en wat voor soort verpakkingen en hoeveel verpakkingsmateriaal worden gebruikt. Dit kan voor goedkope producten met veel verpakkingsmateriaal wel leiden tot een prijseffect van rond de 1% maar voor duurdere producten met weinig verpakkingsmateriaal zal dit veel lager zijn.
Vraag 3
Indien u tot de conclusie komt dat de prijsstijging niet alleen door de verpakkingsbelasting kan worden veroorzaakt, bent u dan bereid te laten onderzoeken of over het verschil afspraken gemaakt zijn in de branche?
De prijsstijging heeft de volle aandacht van de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa). Zij gaat op dit moment na of hier sprake is van afstemming van marktgedrag tussen supermarktketens. De NMa is zeer alert op prijsafspraken omdat deze een ernstige overtreding van de Mededingingswet vormen. Zij leiden immers tot te hoge prijzen voor de consument. Indien de NMa constateert dat er inderdaad verboden prijsafspraken zijn gemaakt, zal zij niet nalaten daartegen op te treden.
Vraag 4
Op welke wijze wordt uitvoering gegeven aan de motie Vietsch c.s. waarin gevraagd wordt aan de regering om toe te zien dat als gevolg van het verpakkingenconvenant geen lastenverzwaring optreedt voor de burgers? Heeft de regering naar aanleiding van de motie Vietsch contact gehad met de gemeenten over de vraag hoe tot uitvoering van de motie-Vietsch overgegaan kan worden en wat het resultaat is van dat overleg voor de heffingen?
Ten eerste is er op 27 juli 2007 tussen de minister van VROM, het bedrijfsleven en VNG over de aanpak van de dossiers verpakkingen en zwerfafval voor de jaren 2008 t/m 2012 een raamovereenkomst gesloten. In deze raamovereenkomst is afgesproken dat gemeenten uit het zogenoemde Afvalfonds een vergoeding krijgen voor het inzamelen van verpakkingsafval uit huishoudens. Die vergoedingen moeten worden besteed aan uitgaven voor het afvalstoffenbeleid. Met gemeenten is afgesproken dat voor zover de vergoeding uit het Afvalfonds niet leidt tot extra uitgaven voor het afvalstoffenbeleid, de gemeenten dit met de afvalstoffenheffing zullen verrekenen. Dit past in de regel dat de gemeentelijke afvalstoffenheffing maximaal kostendekkend mag zijn. Als deze kosten voor gemeenten dalen, zal de afvalstoffenheffing dus naar beneden kunnen. De ontwikkeling van de opbrengsten uit de afvalstoffenheffing wordt jaarlijks door het Rijk gemonitord.
Naar aanleiding van de motie Vietsch c.s. is contact opgenomen met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten over de mogelijkheden om gemeenten aan te moedigen tot een lagere gemeentelijke afvalstoffenheffing. Geconcludeerd is dat de hoogte van de afvalstoffenheffing door de individuele gemeenten lokaal in de gemeenteraden wordt vastgesteld. De hoogte van de afvalstoffenheffing wordt bepaald door de kosten die verbonden zijn aan het beheer van huishoudelijke afvalstoffen (o.a. de inzameling). Gemeenten kunnen er ook voor kiezen om deze kosten geheel of gedeeltelijk uit de algemene middelen te dekken. Over de hoogte van de afvalstoffenheffing wordt lokaal verantwoording afgelegd. Uitgangspunt is echter dat de heffing maximaal kostendekkend mag zijn. Politici in enkele gemeenten hebben al aangegeven dat ze van plan zijn de afvalstoffenheffing als gevolg van de uitkering uit het Afvalfonds te verlagen .
Vraag 5
Is het waar dat de heffingen op verpakking vanaf 1 mei 2008 verplicht vermeld staan op de kassabon?
Nee, er is geen sprake van een verplichting om de verpakkingenbelasting te melden op de kassabon. Hierover is onduidelijkheid ontstaan naar aanleiding van een advies van het CBL om dat te doen. Daarnaast hebben het bedrijfsleven, de VNG en de Minister van VROM in de raamovereenkomst de intentie geuit om de verpakkingenbelasting zichtbaar door te berekenen aan consumenten, omdat daarmee ook bij consumenten zichtbaar wordt gemaakt dat er maatschappelijke kosten verbonden zijn aan het gebruik van grondstoffen voor verpakkingen. Het is echter niet verplicht om de verpakkingenbelasting door te berekenen aan de klant. Bedrijven zijn hier vrij in om dit wel of niet te doen.