rearch en consultancy
1 Wat vindt u van de conclusie dat de markt voor ligplaatsen in jachthavens een aanzienlijke (potentiële) verstoring kent en dat het verschil in tarieven tussen non-profit
jachthavens en commerciële jachthavens wordt veroorzaakt door een combinatie van (deels) geen BTW-plicht, lagere exploitatievergoeding aan gemeente en gemeentelijke steun bij haalbaarheidsonderzoeken en dergelijke?
In het aangehaalde rapport wordt geconcludeerd dat er grote verschillen zijn in tarieven tussen commerciële en not-for-profit jachthavens en dat deze verschillen niet zonder meer verklaard kunnen worden uit omgevingsfactoren. De onderzoekers achten sterke aanwijzingen aanwezig dat door verschillende behandeling door overheden van commerciële en not-for-profit partijen ongelijke concurrentieverhoudingen ontstaan.
Ik acht het aannemelijk dat waar gemeenten not-for-profit jachthavens bevoordelen een (potentiële) verstoring van de markt ontstaat. Hiervoor is in het verleden ook herhaaldelijk aandacht gevraagd door het betrokken bedrijfsleven. Dit soort klachten is mede aanleiding geweest voor vorige kabinetten om te overwegen tot generieke wetgeving te komen op het punt van markt en overheid. Ook de Europese Commissie heeft in het recente verleden naar mogelijke concurrentieverstoring gekeken vanuit een oogpunt van staatssteun. De conclusie van de Europese Commissie was dat in een aantal onderzochte gevallen een zekere vervalsing van de mededinging niet kan worden uitgesloten, maar dat de steun het handelsverkeer tussen de lidstaten niet ongunstig beïnvloedt[1].
Op het punt van de BTW-plicht kent de Wet op de omzetbelasting 1968 een verplichte vrijstelling voor sportclubs en –organisaties voor prestaties aan hun leden voor zover zij geen winst beogen. Daaronder vallen ook non-profit watersportverenigingen. Teneinde echter concurrentieverstoringen te voorkomen is in het verleden in overleg met de HISWA en het Koninklijk Nederlands Watersport Verbond (KNWV) gekomen tot een inperking van voornoemde BTW-vrijstelling voor diensten van watersport-verenigingen aan hun leden. Er is wettelijk vastgelegd[2] dat watersportorganisaties die bij hun dienstverlening aan hun leden gebruik maken van één of meer werknemers, in de BTW-heffing worden betrokken voor zover het gaat om werkzaamheden met betrekking tot vaartuigen of het ter beschikking stellen van lig- en bergplaatsen. Voor deze diensten is daarmee de BTW-vrijstelling ingeperkt. Voor deze activiteiten is er vanuit het oogpunt van de BTW derhalve geen sprake van een verstoring van de markt.
2 Wat is met de conclusies van het Onderzoek naar de problematiek Markt en Overheid door PricewaterhouseCoopers van 20 april 2005 gedaan?
Het onderzoek is verricht om inzicht te verkrijgen in de omvang van de problematiek van markt en overheid, dat wil zeggen het bestaan van ongelijke concurrentie-verhoudingen als gevolg van de bijzondere positie van overheden die als onderneming optreden en van private ondernemingen die van overheidswege over een bijzondere positie beschikken. Mede naar aanleiding van dit onderzoek heeft het Kabinet Balkenende II in maart 2006 een voorstel voor de aanpassing van de Mededingingswet voor de invoering van regels voor markt en overheid naar de Raad van State gestuurd voor advies.
3 Vindt u dat jachthavens met een omzet van meer dan € 100.000,- per jaar een bedrijf zijn waarbij geen onderscheid gemaakt kan worden tussen commerciële jachthavens, jachthavenverenigingen of gemeentelijke jachthavens en waarvoor dezelfde regels moeten gelden en dezelfde tarieven qua BTW en dergelijke? Zo ja, gaat u de regelgeving ten aanzien van jachthavenverenigingen met bedrijf wijzigen?
Ik zie geen reden voor een onderscheid tussen jachthavens met meer of minder omzet dan € 100.000. Het maken van een dergelijk onderscheid impliceert in de eerste plaats dat onder deze omzetgrens een gelijk speelveld met betrekking tot de jachthavens niet wordt bereikt. Maar ook boven de genoemde omzetgrens zou dit doel niet ten volle worden bereikt, zoals hieronder wordt aangegeven. Bovendien zou het maken van een dergelijk onderscheid bestaande en voorgenomen wetgeving doorkruisen. Op het punt van het BTW-aspect is gelet op de systematiek van de BTW-richtlijn 2006 voor watersportorganisaties niet de hoogte van de omzet bepalend maar de aard van de prestaties aan hun leden en het niet winstbeogende karakter. Voor zover gemeentelijke jachthavens door een gemeente worden bevoordeeld ten opzichte van commerciële jachthavens zal deze ongelijke behandeling onderdeel zijn van de afwegingen met betrekking tot de generieke regelgeving voor markt en overheid-problemen. Met betrekking tot jachthavenverenigingen lijkt de problematiek bovendien veeleer te liggen in een goedkopere kostenstructuur doordat veel activiteiten worden uitgevoerd door vrijwilligers en clubleden. Dit is eigen aan het verenigingsleven en valt niet aan te merken als een bevoordeling door de overheid.
4 Onderschrijft u de conclusie van de Europese Unie (EU) dat de activiteiten van jachthavens «als een gewone economische activiteit in de toeristische sector» te beschouwen zijn? Zo neen, waarom niet?
Ja.
5 Bent u bereid de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) te verzoeken om nader onderzoek te doen en te zorgen dat (potentiële) verstoring van de markt opgeheven
wordt?
Voor een onderzoek door de NMa is geen reden. De in vraag 1 bedoelde (potentiële) verstoring van de markt voor ligplaatsen voor jachthavens wordt niet veroorzaakt door kartelvorming of door misbruik van economische machtsposities. Derhalve beschikt de NMa niet over bevoegdheden om op te kunnen treden tegen de potentiële verstoring.
6 Bent u bereid het wetsvoorstel Markt en overheid dit jaar (2007) nog in te dienen bij de Kamer? Zo neen, waarom niet?
Op 3 mei jl. heb ik uw Kamer medegedeeld dat het huidige Kabinet zich nog een oordeel moest vormen over het wetsvoorstel voor markt en overheid (Kamerstukken II, 2006-2007, 28 050 en 30 800 XIII, nr. 12). De oordeelsvorming bevindt zich in een afrondende fase. Ik verwacht u op korte termijn hierover te kunnen berichten.