Antoinette Vietsch| AVI research en consultancy
AVI

rearch en consultancy
AVI research en consultancy richt zich op: overheid, bouw en gezondheidszorg.

Vraagstukken waarmee AVI research en consultancy zich bezig houdt, zijn:
- wat is de huidige situatie
- wat zijn de ontwikke-lingen
- wat wordt de toekomst.
En natuurlijk ook: hoe speel ik op die ontwikkelingen in, hoe wijzig ik de toekomst.

                 Lees meer>>

Belemmering export vanuit haven Rotterdam


Schriftelijke vragen van de leden Van Gennip en Vietsch (beiden CDA) aan de minister van V&W en VROM, juni 2007 en antwoorden juli 2007

  1. Is het waar dat de export van recyclebare materialen zoals schroot en papier door wijziging van de Europese Unie-regelgeving per 12 juli 2007 dreigt stil te vallen?

    Antwoord:
    Bij de beantwoording van deze vraag ga ik ervan uit dat met materialen bedoeld wordt afvalstoffen.
    Ingaande 12 juli treedt de verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (hierna: EVOA )in werking welke Verordening EG/259/93 (de huidige EVOA) vervangt.  De EVOA bevat regelgeving voor de overbrenging van afvalstoffen waarbij o.a. onderscheid wordt gemaakt of export plaatsvindt naar een EU-lidstaat, een EVA land, een OESO land of een niet OESO land. De door u genoemde afvalstoffen zoals schroot en papier zijn in het algemeen zogenaamde groene lijst afvalstoffen. Groene lijst afvalstoffen voor nuttig toepassing mogen zonder kennisgeving worden uitgevoerd naar EU lidstaten, EVA landen en OESO landen.
    Op grond van de EVOA dienen niet OESO landen vooraf kenbaar te maken of en onder welke procedure ze groene lijst afvalstoffen voor nuttige toepassing willen ontvangen. Een land kan aangeven groene lijst afvalstoffen niet te willen importeren, groene lijst afvalstoffen zondermeer te accepteren dan wel export alleen toe te staan met een kennisgeving. Indien landen niet reageren op het verzoek van de Europese Commissie om aan te geven welke procedure moet worden gevolgd, geldt voor de betreffende landen dat in alle gevallen een kennisgevingsprocedure moet worden gevolgd (artikel 37, tweede lid, van de EVOA). Indien een kennisgevingsprocedure moet worden gevolgd, heeft een niet OESO land 60 dagen de tijd om te beslissen op een kennisgeving. Gedurende die tijd is in ieder geval geen export mogelijk.

  2. Moeten handelaren vanaf 12 juli 2007 uitgebreide informatie geven over bron en bestemming van de recyclebare materialen?

    Antwoord:
    De EVOA schrijft voor dat het transport van groene lijst afvalstoffen vergezeld moet gaan met informatie vastgelegd op een in bijlage VII van de EVOA opgenomen formulier. In blok 6 en 7 van dit formulier dienen de NAW (naam, adres, woonplaats) gegevens en een contactpersoon te worden vermeld van de producent van de afvalstoffen, respectievelijk de inrichting voor (voorlopige) nuttige toepassing. Een inrichting voor de opslag van stoffen bestemd voor nuttige toepassing (een zgn. R13 inrichting) valt hier ook onder.
    Indien de handelaar niet de producent van de afvalstoffen is en/of niet zelf een inrichting bezit voor (voorlopige) nuttige toepassing zal hij de gevraagde NAW gegevens moeten vermelden. Naar mijn mening is hierbij geen sprake van “uitgebreide informatie”.

  3. Hebben de nieuwe regels invloed op de waarde en verhandelbaarheid van recyclebare materialen, omdat (tussen)handelaren niet aan de verkopers de eindbestemming willen opgeven in verband met concurrentieverhoudingen?

    Antwoord:
    De EVOA werkt rechtstreeks in alle lidstaten, dus alle handelaren in de lidstaten zullen aan deze bepaling moeten voldoen. Het ligt niet in de lijn van verwachting dat de waarde en verhandelbaarheid van groene lijst afvalstoffen wordt beïnvloed door de verplichting om de inrichting van nuttige toepassing te vermelden op het transportbegeleidingsformulier. De EVOA is bovendien helder over haar bedoeling. Hoofddoel en belangrijkste onderdeel van deze Verordening is de bescherming van het milieu; de effecten van de verordening op de internationale handel zijn van bijkomend belang.

  4. Is het waar dat van de 150 importerende landen slechts 20 landen de EU-regelgeving erkend hebben? Zo ja, welke maatregelen heeft u of de EU genomen en gaat u of de EU nemen? Indien er voor 12 juli geen overeenstemming is met de importerende landen, bent u dan bereid zich in te zetten voor uitstel van de implementatie van de richtlijn?

    Antwoord:
    De Landenverordening welke door de commissie op  7 juli 2007 is gepubliceerd bevat 21 landen. Overigens wil dit niet zeggen dat de overige landen daarmee niet de EU regelgeving erkennen. De overige niet OESO landen hebben echter niet gereageerd op een verzoek van de Commissie om aan te geven hoe zij de import van groene lijst afvalstoffen gereguleerd willen hebben.
    Door de lidstaten is in de diverse zogenaamde correspondenten overleggen met de Europese Commissie (hierna: de Commissie) aandacht gevraagd voor de gebrekkig respons van de niet OESO landen en de te voorziene consequenties. Op het laatste correspondenten overleg van 14 juni is door alle lidstaten een klemmend beroep gedaan op de Commissie om een overgangsregime in het leven te roepen. Tijdens de bijeenkomst van het Technisch Advies Comité op 4 juli heeft de Commissie echter toegelicht dat het juridisch onmogelijk is om een overgangsregime in het leven te roepen.
    Door de lidstaten is gewezen op de grote praktische consequenties nu een aantal belangrijke importerende landen niet gereageerd heeft. Voor die landen geldt dat de kennisgevingsprocedure moet worden gevolgd waardoor de handel  in ieder geval gedurende de beschikkingstermijn stil valt. De Commissie beseft de urgentie en geeft aan dat de verwachting is dat op korte termijn een aantal landen (geschat op 20) zal reageren en verwacht in september of oktober een nieuwe Landenverordening te kunnen publiceren. Wel heeft de Commissie aangegeven behoefte te hebben aan technisch inhoudelijke ondersteuning  bij de interpretatie van de reacties van de niet OESO landen (de zogenaamde note-verbales). Nederland en een aantal andere lidstaten hebben aangeboden de Commissie hierbij te ondersteunen.
    Het standpunt van de Commissie is duidelijk. Vanaf 12 juli geldt de nieuwe Landenverordening. Voor landen die niet op deze lijst staan dient een kennisgevingsprocedure te worden gevolgd.
    Omdat er sprake is van een Verordening is deze direct werkend, ik heb dan ook geen mogelijkheid te tornen aan de inwerkingstredingsdatum van 12 juli.
    Omdat mij duidelijk is geworden dat de interpretatie van de Commissie grote consequenties heeft voor de praktijk van de export van groene lijst afvalstoffen, heb ik mij geïnformeerd over de consequenties voor Nederland. Een ruwe schatting is dat op grond van de per 12 juli geldende landenlijst voor 25 % van de groene lijst afvaltransporten uit de Nederlandse zeehavens een kennisgeving vereist zou zijn. Het gaat dan over ongeveer 5000 containers per week. Strikte toepassing van deze regelgeving heeft dan ook grote financiële consequenties voor handelaren en leidt tot een stagnatie van de afvoer en de ophoping van afval. Bij niet naleving van de Verordening door exporteurs leidt dit ook tot grote bestuurlijke lasten voor handhavers. Illegale transporten moeten worden tegengehouden en teruggezonden naar bedrijven van verzending in of buiten Nederland.
    Onduidelijk is waarom slechts zo weinig landen hebben gereageerd op het verzoek van de Commissie. De indruk bij direct betrokkenen (de correspondenten) is dat er geen sprake is van een bewuste niet respons. Er zou sprake kunnen zijn van een bewuste non respons indien een land inderdaad voor alle groene lijst afvalstoffen een kennisgeving zou willen. Het wordt onwaarschijnlijk geacht dat zo veel landen ineens voor alle groene lijst afvalstoffen een kennisgeving zouden willen, terwijl ze op grond van de Landenverordeningen onder de “oude” EVOA geen eisen stellen aan de import van bepaalde afvalstoffen.
    Ik wil nogmaals benadrukken dat het hier gaat over niet gevaarlijke afvalstoffen (papier, schroot, kunststof, textiel) welke nuttig worden toegepast. Dit afgezet tegen de grote praktische problemen die dreigen te ontstaan heb ik besloten een overgangsperiode toe te staan. Dus een in de tijd begrensde periode waarna de EVOA en de bijbehorende nieuwe landenlijst onverkort wordt toegepast. Ik ga er daarbij zonder meer vanuit dat 1 november een reële einddatum is. Bedrijven hiermee daarmee voldoende tijd gekregen om te anticiperen op de regelgeving. Na deze datum zal de EVOA en de daarbij behorende (nieuwe) landenlijst onverkort wordt toegepast.De werkwijze tijdens de overgangperiode komt erop neer dat indien niet OESO landen niet hebben gereageerd, de procedures welke op grond van de oude Landenverordening gelden mogen worden gevolgd. Indien landen in de periode tot 1 november reageren door het terug zenden van de note-verbale en deze informatie beschikbaar is via de internetsite van DG Trade, is deze informatie op dat moment leidend voor een ieder, ook indien er sprake is van verzwarende eisen. Gedurende de overgangsperiode zal de VROM-Inspectie niet bestuursrechtelijk optreden tegen deze specifieke gevallen van sluikhandel. Het OM behoudt zich overigens ten allen tijde het recht voor strafrechtelijk op te treden. Andere aspecten van de EVOA worden uiteraard wel per 12 juli 2007 onverkort gehandhaafd.
    Ik zal u in de loop van de maand oktober nader informeren over de voortgang van dit dossier en met name over de voor Nederland zo belangrijke kwestie van de respons.

  5. Worden de te exporteren goederen, zoals oud papier, inderdaad door de Nederlandse regering beschouwd als zijnde de gevaarlijkste vorm van afval, indien het importerende land de EU-regelgeving niet erkend? Zo ja, waarom? Wat betekent dit qua administratieve lasten?
     
    Antwoord:
    De Verordening schrijft voor dat indien een niet OESO land, niet heeft aangegeven welke procedures gevolgd moeten worden voor groene lijst afvalstoffen voor nuttige toepassing een kennisgeving moet worden gedaan. Ook kan een niet OESO land daar bewust en expliciet voor kiezen. Het gaat hierbij dus niet om een oordeel over het al dan niet gevaarlijk zijn van het afval, maar de inschatting of het afval in niet OESO landen nuttig kan worden toegepast en de nuttige toepassing op een milieuverantwoorde wijze kan plaatsvinden. Uiteraard brengt een kennisgeving administratieve lasten met zich mee.

  6. Wat betekent de wijziging in de regelgeving voor de haven van Rotterdam als belangrijk uitvoerpunt?

    Antwoord:
    De wijzingen van de nieuwe EVOA ten opzichte van de tekst van de oude de EVOA hebben als zodanig  geen gevolgen voor Rotterdam.
    Maar het feit dat niet OESO landen niet tijdig hebben gereageerd kan mogelijk wel consequenties hebben voor Rotterdam, immers Rotterdam is een belangrijk knooppunt voor de export van afval. Hierbij dient bedacht te worden dat afval een van de retourvrachten is die vaak lege containers naar Azië vult. Bij strikte interpretatie van de Verordening zou dit in het uiterste geval kunnen leiden tot het tegenhouden en terugzenden van ongeveer 5000 zeecontainers per week. Dit kan aanleiding geven tot logistieke problemen in de haven of het achterland.
    Daarnaast is niet uit te sluiten dat de handhavingsdruk in de omringende landen anders is dan in ons land, zodat mogelijk uitwijkgedrag plaatsvindt naar ander havens.
    Ik ga ervan uit dat met mijn voorstel om een overgangsperiode toe te passen, deze problemen niet zullen optreden.

  7. Interpreteren en handhaven andere EU-landen deze regels op dezelfde manier? Zo neen, bent u bereid om de Nederlandse interpretatie en handhaving aan te passen en zo een level playing field tussen EU-landen en tussen havens in die EU-landen te creëren?

    Antwoord:
    Over de interpretatie kan geen twijfel bestaan daarover is de Verordening duidelijk. Lidstaten hebben de Europese commissie gewezen op de grote problemen die zullen ontstaan ten gevolge van het niet reageren van een aantal niet OESO landen.
    Mij is bekend dat ook een aantal andere lidstaten een overgangsperiode willen hanteren.

  8. Klopt het dat er afgelopen week overleg heeft plaatsgevonden in Europees Unie-verband over deze richtlijn? Zo ja, wat is de uitkomst van dit overleg? Wat was de inzet van de Nederlandse regering?

    Antwoord
    Op 14 en 15 juni heeft het zogenaamde correspondentenoverleg plaatsgevonden. De inzet van Nederland maar tevens vele andere lidstaten was om te pleiten voor een of ander vorm van een overgangsregelgeving waarbij de oude “landenlijsten” (Verordening (EG) Nr. 1547/1999 en Verordening (EG) Nr. 1420/1999), nog enige tijd van toepassing kunnen zijn.
    In het Technisch Advies Comité (TAC) van 4 juli heeft de Commissie uitgedragen dat  een overgangsregeling juridisch niet mogelijk was.

  9. Wilt u deze vragen voor 2 juli 2007 beantwoorden?

    Antwoord
    Omdat er op 4 juli een TAC was gepland en de uitkomsten van deze bijeenkomst bepalend zouden zijn voor de wijze waarop ik uw vragen kon beantwoorden, heb ik uw vragen niet voor 2 juli beantwoord.

    1) NRC Handelsblad, 15 juni 2007