rearch en consultancy
Door eeuwenlange verbetering is de bouw in Nederland organisatorisch goed op orde. De vernieuwing in materialen is gelijk opgegaan met alle andere chemische vernieuwingen en daar is ook weinig meer van te verwachten. De vernieuwing die thans in de bouw aanwezig is, komt voort uit economische motieven. En dan niet meer zoals in de jaren vijftig door de levensduur van het gebouw afstemmen op het gebruik – daarvoor is onze bouwregelgeving te “duurzaam” geworden. We bouwen voor de eeuwigheid.
Inspraakavonden
Het gebrek aan keus in de jaren ’60 leidde tot communicatie met burgers en daarmee tot de uitvinding van eindeloze inspraakavonden. De architectuurop-leiding werd gedemocratiseerd en iedereen kreeg verstand van bouw. En daarmee werd de grondslag gelegd voor de huidige opdrachtgever die vindt dat hij geen professionele opdrachtgever hoeft te zijn: de bouw moet zich aan hem aanpassen. De voormalige Rijksbouwmeester constateerde niet voor niets het afgelopen jaar dat er op de Ministeries nog slechts zo’n 30 ontwerpers waren die wisten hoe de bouw werkt.
De huidige opdrachtgever koopt het liefst zijn gebouw op basis van een artist impression en een maquette. De vraag hoe een gebouw gerealiseerd moet worden, interesseert hem niet. Dat leidde in het verleden tot het prestatiebe-stek. In plaats van een bestek met een bepaalde oplossing die vervangen mocht worden door een gelijkwaardige oplossing, moest het denken om. Een muur was geen muur meer, maar een visuele en klimatologische scheiding met een bepaald hoogstaand uiterlijk. Nooit had iemand bedacht hoeveel eigenschap-pen een bakstenen muur kan hebben. En die dikke omschrijvingen moesten vervolgens door aannemers vertaald worden in x m2 baksteen, kwaliteit A. Tenminste dat was de bedoeling, maar in een proefproject bleek dat men omschrijvingen ook anders kon uitleggen. Na één kantoor was zelfs de Rijksgebouwendienst genezen van dit wereldvreemde idee, dat telkens toch blijft opduiken als voorbeeld van innovatie
Kapitaal
In plaats van kennis in te huren om toch te krijgen wat hij wil, kan de op-drachtgever natuurlijk ook alles uitbesteden. Feitelijk kom je dan terecht op huren. Echter uit de oude spotjes van Postbus 51 weten we dat huur duur is. Zeker als het gebouw specifiek aan jouw eisen wordt aangepast. De eigenaar zal zich willen afdekken voor het risico dat de huur opgezegd wordt en hij met het gebouw blijft zitten. In dat op zicht is het merkwaardig dat Den Haag niet zijn eigen stadhuis bezit en dat het gebouw van het Ministerie van VWS in eigendom is van Despa Deutsche Sparkassen und Immobiliengesellschaft AG uit Frankfurt.
Sommige opdrachtgevers zouden wel een nieuw gebouw willen hebben, maar hebben een tekort aan kapitaal. Nu lijkt dat voor de Nederlandse overheid niet te gelden maar als de overheid grond of een gebouw koopt of laat bouwen, dan telt dat investeringsbedrag mee als besteding in het EMU-saldo. Het gebouw komt pas bij verkoop weer positief terug op het saldo. Indien het te realiseren gebouw niet verhuurbaar is aan anderen, is huren geen oplossing: de investering moet worden afgeschreven tijdens het contract. Daarom is de publiek-private samenwerking (PPS) bedacht, een soort huurkoop. De bouwer leent geld, realiseert het project en financiert soms ook nog het facilitair management (onderhoud, schoonmaak, beveiliging, horeca, etc.). De gebruiker lost dat via de huur af. Zo loopt hij geen risico dat de bouw niet financieel in de hand gehouden wordt. Tenzij natuurlijk de opdracht niet goed gedefinieerd is. En wie kan voorspellen hoe bijvoorbeeld de beveiliging van een ministerie er over 25 jaar uit ziet? Vandaar dat in Engeland bij de bouw van ziekenhuizen niet de aannemer de belangrijkste partij is, noch de bank die het geld ter beschikking stelt, maar het advocatenkantoor dat de contracten controleert en opstelt. En vandaar dat de eerste evaluaties uitwijzen dat dit toch niet zo’n goed idee was (zie ook Cobouw 24-11-2004). Voor de Nederlandse poldercul-tuur is deze manier van werken met het contract op tafel, totaal vreemd. Niet voor niets werd in het rapport over de Bouwfraude geconcludeerd dat PPS-en in de Nederlandse markt niet kan. Ook onze wetgeving is niet geschikt. Een PPS is te vergelijken met het prestatiebestek maar dan voor het geheel inclu-sief facilitair management. De komende renovatie van het Ministerie van Financiën die via een Europese aanbesteding zal plaatsvinden, zal een bezui-niging van 10% opleveren (Cobouw 16-9-2004). De vraag daarbij is natuurlijk ten opzichte waarvan? De huidige situatie of de situatie na een normale reorganisatie van het facilitair bedrijf en energieaanpassingen zoals vervan-ging gevel met enkel glas, vervanging ketelhuis en aanbrengen koude- en warmteopslag voor alle ministeries? Waar de volgende parlementaire enquête in de bouw over zal gaan, lijkt duidelijk.
dr.ir. C. Antoinette Vietsch, arch. BNA
Lid Tweede Kamer, CDA-fractie