rearch en consultancy
Op de vraag “wie is de baas in het ziekenhuis” antwoordde ik altijd: de Raad van Toezicht. Inmiddels heb ik geleerd dat het antwoord afhangt van de statuten van de instelling. De invoering van de Zorgbrede Governancecode per 1 januari 2006 betekent dat instellingen hun statuten en reglementen moesten gaan wijzigen. Heeft de Minister enig inzicht hoe het hiermee staat? Op welke wijze worden bij de toelating als zorginstelling de statuten op good governance gecontroleerd? Vervalt de toelating als instelling niet gaan aanpassen?
Is het ook mogelijk om een voorbeeld van goede statuten ed. als good practice op een website te publiceren zodat niet telkens opnieuw het wiel moet worden uitgevonden en veel geld besteed gaat worden aan adviseurs?
De leden voor een Raad van Toezicht moet volgens de code openbaar geworven worden. Het einde van de vriendjespolitiek dus. Echter wat wordt onder openbaar werven verstaan en hoe wordt voorkomen dat toch het vriendje benoemd wordt in plaats van de meest geschikte kandidaat?
Uit het feit dat de bestuurders een systeem van risicobeheersing/controle met de toezichthouders moeten bespreken blijkt ook de positie van de Raden van Toezicht. Wat houdt een dergelijk systeem in en hebben de toezichthouders de macht om het systeem af te keuren? Ofwel wie is de baas?
De Raad van Toezicht krijgt het recht krijgt om bij de Ondernemingskamer om een enquête te verzoeken. Blijkbaar zijn de toezichthouders toch niet de baas.
Dat bevreemdt me want toezichthouders kunnen toch de leden van de Raden van Bestuur ontslaan? Kan de Minister mij uitleggen hoe dit precies zit en hoe ik het enquêteverzoek moet zien?
Voorzitter, naast de Raad van Toezicht van de instelling zelf, zijn er de externe toezichthouders. Hiervoor komt volgens de Minister een handvest met 10 spelregels. Wat houden deze spelregels in en wanneer kunnen wij het handvest verwachten? Hoe verhoudt dit handvest zich met de aanscherping Kwaliteitswet zorginstellingen, op welke wijze gaan de prestaties van instellingen getoetst worden en wat gebeurt er indien ze onvoldoende zijn?
Voorzitter, de CDA-fractie vindt dat bij maatschappelijke taken zoals de zorg, maatschappelijk ondernemen hoort in plaats van b.v.’s zoals de directeur van de Nederlandse Vereniging van Toezichthouders in de Zorg schijnt voor te staan. Kan de Minister aangeven wanneer we hier een kabinetsbesluit over kunnen verwachten? En kan de Minister aangeven wat hij van het standpunt van de NVTZ vindt en of deze club representatief is?
Voorzitter, de CDA-fractie onderschrijft de aanbeveling van het Nederlandse Centrum van Directeuren en Commissarissen (NCD) dat een directeur zich houdt aan de wetgeving én aan de in Nederland geldende waarden en de daaruit vloeiende normen en zich bewust is van zijn voorbeeldfunctie binnen en buiten de organisatie. Daarin past een goede governancecode met een goed toezichthoudend orgaan en verslaglegging in het jaarverslag van onder meer de salarissen. Pas toe en leg uit, is daarbij ook in onze ogen een goede maatstaf.
De CDA-fractie is tevreden dat de Minister een enquête heeft laten verrichten met de vraag: leg uit. Is deze beantwoording overigens gedaan door de Raden van Toezicht of door de Raden van Bestuur? En is daarbij een eventueel jaarlijkse bonus als onderdeel van het salaris gezien?
Uit de brief van de Minister begrijpen wij dat meer eenduidigheid in de regeling moet komen. Bij de definitie van salaris moet volgens het CDA natuurlijk rekening gehouden worden met andere vergoedingen en salarissen zoals de vergoeding als bestuurslid van NVZ, Arcares e.a. Maar ook als lid van de Raad van Bestuur van de woningbouwvereniging waarbij het onroerend goed van de zorginstelling is ondergebracht. Deelt de Minister onze mening dat dit soort zaken vermeld moet worden? En hoe kijkt de Minister aan tegen het feit dat fusie direct betekent verhoging van de salarissen van de Raden van Bestuur?
De bestaande contracten van zittende directieleden moeten gehandhaafd blijven. De CDA-fractie is er voorstander van dat de salarisverhoging niet groter is dan de CAO van de betreffende instelling. Mijn collega Buijs heeft voorgesteld dat als voorwaarde op te nemen bij de toekenning van de OVA-gelden. Indien meer salaris voor de directe, dan een evenredige korting van de OVA-gelden. In zijn brief geeft de Minister aan dat dit juridisch niet mogelijk is. Waarop is dat gebaseerd?
In de praktijk komen dilemma’s voor. Neem bijvoorbeeld een ziekenhuis met 3 leden van de Raad van Bestuur waarbij de voorzitter met pensioen gaat. Moet dan de nieuwe voorzitter minder gaan verdienen dan zijn 2 collega’s die onder hem vallen? En wat moet een Raad van Toezicht doen indien de kandidaat in zijn huidige functie als directeur al meer verdient dan de code?
De levensduur van een ziekenhuisdirecteur heet niet lang te zijn, juist door de aanwezigheid van veel medici in zijn huis. Kan de Minister aangeven wat voor consequenties dat volgens hem moet hebben? Indien een lid van een Raad van Bestuur ontslagen wordt of afscheid neemt met een handdruk, moet dat vermeld worden in het jaarverslag? Zo ja, realiseert de Minister zich dat dit betekent dat het aanzienlijk moeilijker wordt om iemand te ontslaan? En hoe gaat de Minister controleren dat men zich daar aan houdt?
Tot slot voorzitter, de medische specialisten.
Een specialist in een ziekenhuis is vaak toegelaten voor het leven en kan niet of nauwelijks worden weggestuurd. Het ondernemingsrisico lijkt vaak slechts te bestaan uit verlies van klanten door levering van slechte kwaliteit. Op welke wijze kan dit volgens de Minister verbeterd worden? Kunnen de toelatingscontracten van een specialist niet tijdelijk worden?
Is het waar dat de meest verdiende specialist de medische microbioloog is? Dus niet een specialist die bij nacht en ontij mensen het leven redt en beslissingen over leven en dood maakt, maar iemand die gewoon kantooruren maakt?
Kan de Minister aangeven hoe staat het met de onderhandelingen over het uurtarief?