rearch en consultancy
De verjaardagskalender van haar ouders was in haar jeugd het enige waarmee ze het Zonnehuis associeerde. Jaren later nam Antoinette Vietsch (1957) het lidmaatschap over van haar ouders, een keus die eigenlijk geen keus maar vanzelfsprekend was.
“Toen mijn ouders net getrouwd waren, kwam mijn vader thuis met het voorstel lid te worden. Mijn moeder kende een jongen die gehandicapt was en altijd alleen maar voor het raam lag. Het enige wat hij kon doen was zwaaien naar voorbijgangers. Dat deed mijn ouders besluiten, lid te worden van het Zonnehuis, zodat ook zulke mensen waardige zorg konden krijgen”.
Het woord is gevallen. Waardige zorg. Het credo van de Vereniging Zonnehuis. Niet alleen in haar werk als Tweede Kamerlid voor het CDA waar ze nu als woordvoerder bouw, en voorheen als woordvoerder van de AWBZ (Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten) vormde Vietsch haar visie op waardige zorg. Ook de hersenbloeding van haar moeder, waardoor ze verlamd was en opgenomen moest worden in een verpleeghuis, maakt dat zij weet wat zorg inhoudt. En waarom ze lid wil blijven van het Zonnehuis.
“Waardige zorg heeft voor mij te maken met respect en het verlies, of juist niet, van decorum. Een belangrijk verschil is: is de bewoner degene die de kamer bewoont, of logeert hij daar? Is de cliënt de baas in de kamer of de verzorgenden? In mijn ogen hoort de cliënt de baas te zijn van zijn of haar kamer, die woont daar. Voor mij is goede zorg dat een cliënt zoveel mogelijk zijn eigen leven kan leiden. Jezelf kunnen blijven is het belangrijkst. Dat medewerkers oog hebben voor wat voor muziek de cliënt mooi vindt als die het zelf niet meer aan kan zetten. Met mijn moeder hebben we voor de opname een zogenaamd levensboek gemaakt. Daarin hebben we haar levensgeschiedenis opgeschreven: opleiding, hobby’s, hoogte- en dieptepunten. De verzorgers konden dat lezen, en wisten zodoende hoe ze haar het beste konden behandelen, ze wisten wie ze was. Dit is formeel in Nederland standaard beleid maar wordt nog te vaak niet gedaan. De bewoner is een hotelgast die na een beperkte tijd weer verdwijnt.”
Vietsch studeerde bouwkunde en bedrijfskunde, niet bepaald studies waarvan je een maatschappelijke visie verwacht, maar het tegendeel blijkt waar. Al tijdens haar studie in Delft maakte ze een ontwerp voor een verpleeghuis. Vietsch: Als architect wil je de wereld beter maken. Je leert je verplaatsen in de belevingswereld van andere mensen: hoe zou ik me voelen als ik in zo’n tehuis zat, en hoe zou ik het willen hebben? Er zitten dus wel degelijk overeenkomsten tussen bouwkunde, politiek en zorg.”
Antoinette Vietsch is lid van de vaste kamercommissie VWS (Volksgezondheid, Welzijn en Sport). “Er wordt teveel gedaan of we vanuit Den Haag met wetgeving alles kunnen regelen. Er wordt teveel en te vaak in de Kamer geroepen: ‘Dit kan niet langer’. Mijn reactie is dan: ‘Je kunt wel schreeuwen, maar wat betekent de nieuwe regeling in de praktijk?’
Nadat Vietsch het lidmaatschap van haar ouders overgenomen had, werd ze nieuwsgierig naar de Vereniging. “Vroeger was het Zonnehuis in Vlaardingen, waar ik opgroeide, een begrip. Als er iemand naar een tehuis moest ging je dáárheen. Ik denk dat die herkenbaarheid ook kwam door de herkenbare christelijke identiteit.” Haar nieuwsgierigheid en - naar eigen zeggen - bemoeizucht, deed haar naar een jaarlijkse vergadering van de Vereniging gaan. Vietsch: “Nog steeds bezoek ik vergaderingen, lees ik het blad en wat ik daar zie en zag neem ik mee naar de Tweede Kamer. Als woordvoerder verpleeghuizen heb ik gezorgd dat de regeling aangenomen werd dat iedereen in het verpleeghuis een eigen kamer moet krijgen. Het is toch mensonwaardig om aan het eind van je leven slechts een bed en een klerenkast te hebben. Een eigen kamer waar je je eventueel met je bezoek terug kunt trekken als je daar behoefte aan hebt, dat is toch het minste.”
Toen Antoinette nog studeerde, ging haar moeder als vrijwilligster koffieschenken in het verpleeghuis. Later werden de rollen omgedraaid. Vietsch: “Het is goed dat er huizen zijn. Dat families er elkaar gedag zeggen, dat vind ik belangrijk. Dat mensen het naar hun zin hebben. Eenzaamheid moeten we niet onderschatten. Niemand wil in een verpleeghuis opgenomen worden. Je hoopt gezond te blijven, maar als het zover is dat je naar het tehuis moet, verzet je je normen naar wat kunt. Dan ben je blij als iemand lief voor je is. En dat is waar het om gaat: geluk.”